Pagina's

woensdag 10 april 2013

Zij wilden


Ik had besloten dat ik verder wilde gaan. Niet omdat dit de beste manier was, er genoeg waren die beweerden dat dit wel het geval was, maar omdat ik liever zou vergaan in de geordende chaos die ik zelf gecreëerd had, dan in die van iemand anders. Ik had getracht een voorstelling te maken van dat wat in mijn hoofd rond spookte, vergeefse pogingen en dus had ik al mijn spullen weer in moeten pakken.

Ik zat in een kleermakerszit op de grond, tegenover een van de mensen die ik eerder vandaag ontmoet had. Zeker drie keer had ik haar naam te horen gekregen en durfde haar naam niet nogmaals te vragen. Mijn angst kon ik niet plaatsen, ik wist niet waar hij vandaan kwam. Maar ik wist wel dat hij echt was, die angst.

Ze nipte aan haar thee, terwijl ik een poging deed de conversatie voort te zetten.
‘Ik heb het echt geprobeerd.’ Ze haalde bijna onopmerkelijk haar schouders op, terwijl ze haar adem over de thee liet glijden en waterdamp de glazen van haar bril liet beslaan.
‘Misschien ben je gewoon bang om bang te zijn?’ Haar stem, normaal helder als kristal, trilde. Was zij net zo bang als ik? Ik ontweek haar blik, ik wist hoeveel waarheid er in haar woorden school. Even opende ze haar mond, alsof ze van plan was geweest nog iets toe te voegen aan de door haar uitgespuwde woorden, maar ze zweeg.

‘Wat heb je het meest nodig?’ Zei ze uiteindelijk. We hadden beiden een tijdlang voor ons uit zitten staren. Jou. Wilde ik zeggen: ze was wijzer dan ik en zou het binnen nu en vijf jaar absoluut gemaakt hebben ware het niet dat ze besloten had haar idealen in te ruilen voor een wereld van gekken. De club van gekke mensen, had ik ons genoemd. De eenzamen van de wijk die wanhopig hun sociaal leven in tact probeerden te houden door te blijven communiceren met fictieve vrienden. Haar motieven om hier te verblijven snapte ik niet. Van ons allemaal was zij de meest gewone.

‘Houd die sigaretten maar.’ Mompelde ze, terwijl ze op stond.
‘Ze zijn van jou.’
‘Bijna op en niet het enige wat door de war zit.’
‘Toe, blijf nog langer.’ Drong ik bij haar aan, ze weigerde. En terecht. Ze bevestigde  hetgeen dat al tijden door mijn hoofd schoot, ik moest door.
‘Zou het helpen als ik toe zou geven?’
‘Sigaretten zijn beter dan fictieve vrienden.’
‘Half zo bevredigend niet.’ Ze knikte weer. ‘Misschien wil ik daarom van ze af.’ Ze griste de tas uit mijn handen en overhandigde me het pakje.
Even hoopte ik dat dat het enige was wat ik nodig zou hebben om mijn voorstelling compleet te maken, die hoop verdween als sneeuw voor de zon toen ik met mijn ogen knipperde tegen het felle zonlicht.
‘Ik mis je.’ Mompelde ik, alsof het haar terug zou brengen. Ik had onwillekeurig haar lievelingsontbijt besteld en zat in mijn nette pak aan tafel. Voor vannacht was ze even bij me terug geweest. Maar ik herinnerde mij haar naam niet meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen