Pagina's

zaterdag 7 juli 2012

The Curse - Gastblog

"Nee!" Mijn stem klonk schor, waarschijnlijk door het weinige gebruik ervan de laatste tijd. Mijn handen grepen in het niets om me heen, in een poging nog een deel van mijn zusje te vinden, te pakken, bij me te houden. Maar het was tevergeefs. Ze was weg. Voor altijd. Moedeloos zakte ik op mijn knieën neer, met mijn handen in mijn haar geklemd. Ik had haar beter moeten beschermen, na alle anderen die ze van me af hadden gepakt. Ik had het moeten weten. Begrijpen. Ik zou nooit rust hebben, en iedereen waar ik van hield ging eraan. Mijn hoofd tolde. Mijn oogleden voelden zwaar. Dit verlies voelde bijna nog zwaarder dan anderen. Nu had ik niemand meer. Behalve. "Wat doe jij nu hier?" Bang draaide ik me om en keek in de ogen van een jongen. Hij was even oud als ik, maar een stuk langer en hij leek veel ouder dan hij was, in tegenstelling tot mij, ik leek veel jonger. Hij had zwart haar, waarvan de puntjes zijn schouders net niet raakten. Zijn ogen waren lichtblauw. Heel lichtblauw. Altijd als ik erin keek leek ik betoverd. Zijn kleren waren ongekreukt en schoon, waarschijnlijk het tegenovergestelde van de mijne. Zijn glimlach moest ik altijd automatisch beantwoorden. Daniël. "Dat kan ik ook aan jou vragen." Mijn glimlach betrok. "Ga weg hier, nu." Ik stond op en duwde hem wat achteruit, wat haast onmogelijk was met mijn schaarse kracht. Hij lachte en pakte mijn schouders beet. "Ik ga alleen als jij ook gaat, het wordt al donker, moet je niet naar huis?" Hij wist het niet. Dat was iets wat ik me lange tijd voor had gehouden. Daniël mocht er niet van weten, hij zou alleen maar proberen te helpen, wat ik juist niet wilde wat hij deed. Zeker niet nu. Nu hij gegarandeerd de volgende was."Daniël, ga, alsjeblieft. Dan ga ik ook, ver weg, waar je me nooit meer ziet." Zijn lichte ogen keken me aan. Ze vroegen om uitleg, maar die kon ik niet geven. Hij hoorde de wanhoop in mijn stem. Wist dat ik geen grap maakte. "Alsjeblieft," zei ik nog schor en smekend. Hij was mijn beste vriend, en misschien wel degene die ik absoluut niet kwijt wilde raken. Degene die ik het liefst bij me wilde houden. Van wie ik hield. "Wat is er aan de hand?" In zijn stem klonk ernst, en bezorgdheid. Om mij. Hij gaf om mij. Hij wilde zich niet zo maar omdraaien en mij achterlaten, zelfs niet als hij het zou weten en dus wist dat hij daarmee zijn leven redde. "Er is niets." Natuurlijk geloofde hij dat niet, maar wat moest ik dan zeggen? De waarheid? "Als je niets zegt blijf ik alleen maar hier, terwijl je mij zo wanhopig weg probeert te krijgen." Hij trok een wenkbrauw op. Natuurlijk moest hij het weten. We hadden nooit iets voor elkaar verzwegen. Behalve dan.. "Het is dat.. je weet wel, dat we een paar weken geleden op vakantie gingen?" Ik kreeg een brok in mijn keel. Alleen al het denken aan die dag deed veel te veel pijn om verdraagbaar te zijn. "Er zijn toen.. dingen gebeurd. We maakten een boswandeling, en ik verdwaalde. Maar ik vond een soort klein gebouw, een tempel. Ik ging naar binnen. Het was groot, en leeg, op een klein gouden beeldje na. Ik liep erheen en keek ernaar en plotseling begonnen de ogen van het beeld licht te geven. De tempel schudde. Ik voelde iets, het was een vreemd gevoel vanuit mijn tenen tot in mijn hart. Toen was alles weer stil. Alles leek rustig. Maar het was niets minder dan rustig.

Ik was vervloekt." Mijn mond voelde droger dan hij ooit geweest was. Mijn hart bonsde, alsof ik weer in de tempel stond en alles om me heen bewoog. "Dus, een beeldje begon licht te geven, en toen was jij plotseling vervloekt?" Het klonk niet spottend, verre weg daarvan. Hij begreep het gewoon niet. Hij kon het ook niet begrijpen. Niet als hij niet daar was. Niet als hij niet de vervloeking door zijn lijf had voelen stromen. "Ja. En iedereen waar ik om geef krijgt een ongeluk. Zo'n vreselijk ongeluk dat je alleen in films ziet. Alsjeblieft, ik wil niet dat dat ook bij jou gebeurt." Ik wilde het niet. Het mocht niet. Hij moest gelukkig worden. Ik doodongelukkig. Hij moest verder gaan met zijn leven. Oud worden. Een goede baan krijgen. Een mooi huis. Een vrouw... "Ik ben niet bang." Hij had een schittering in zijn ogen die mijn humeur altijd beter maakte, maar vandaag leek het alsof die zijn kracht had verloren. "Maar ik wel." Mijn stem stokte. Ik was bang. Doodsbang. Maar Daniël spreidde zijn armen en zonder twijfel sprong ik erin. Dicht tegen hem aan, waar de geur van het bos mijn neus in kroop. Waar de druk van zijn armen om me heen me een veilig en liefdevol gevoel gaf. Ik moest me niet zo voelen. Niet nu. Ik moest aan zijn veiligheid denken. Maar de aandrang om hem de rug toe te keren en weg te rennen slonk met de seconde. Nu ik hier bij hem stond. Tegen hem aan. Met mijn oor op zijn borst waaronder ik zijn hart kon horen kloppen en zijn adem die ik door mijn haren heen tegen mijn hoofdhuid voelde strelen. Voorzichtig hief ik mijn hoofd op zodat ik in zijn lichte ogen kon kijken. "Ik hou van je." De woorden klonken zacht en hees uit mijn mond, maar ik was zeker dat hij me hoorde. De vriendelijke uitdrukking op zijn gezicht maakte plaats voor een verbaasde blik. "Hou je van me?" vroeg hij, bijna even hees als ik. Er klonk geroerdheid in zijn stem, dat mijn hart op deed springen. "Ja." Er verscheen een schittering in zijn ogen die ik nog nooit gezien had. Een schittering die tien maal sterker was dan anderen en direct effect had en vlinders door mijn buik pompte. Een schittering van geluk. "Ik hou ook van jou," zei hij zacht en het duurde nog geen seconde voor onze lippen aan elkaar waren geplakt. Alle gevoelens die ik sinds ik hem op mijn vijfde ontmoette zaten erin. Mijn hart sloeg op hol en leek salto's achter elkaar te maken in mijn buik. Er stroomde een gelukzalig gevoel door me heen wat ik nooit eerder gevoeld had maar mijn lichaam deed tintelen. Liefde. Mijn handen lagen op zijn borst. Zijn armen vormden een lichte druk om mijn heupen. Een zacht briesje liet onze haren om ons heen wapperen. Alles leek perfect. Hier, in dit verlaten weiland, met de jongen waarvan ik hield. Al zo lang als ik me kon herinneren. Ik wenste dat dit moment nooit op zou houden. Dat ik voor altijd met hem kon zijn. Maar dat was mijn lot niet. Het zachte briesje nam een sterkere vorm van zich aan en ik voelde Daniëls greep om mijn heupen wat verzwakken. Vragend keek ik op. Hij staarde naar iets achter me, iets wat zijn pupillen deed groeien naar een bange blik. Een doodsbange blik. Nog steeds in zijn armen draaide ik me om en mijn hart sloeg een keer over van angst. Voor me rees de grootste tornado op die ik ooit had gezien. Sterke wind sloeg ons om de oren. Ik draaide me om en zag hoe Daniël naar me keek. Bang. Doodsbang. Maar nog vol liefde. Er woei een scherpe wind die zijn benen de lucht in tilde, terwijl ik vastgelijmd leek aan de grond. Onze handen waren het enige wat ons nog aan elkaar verbond. Maar lang zou het niet meer stand houden. Ik kon hem niet bij me houden. Hoe graag ik ook wilde. Mijn pinken schoten los. Nee, het had veel te kort geduurd. Het kon zo veel meer worden. Mijn ringvinger. De blik in zijn ogen wilde mij geen seconde loslaten. Ze keken bezorgd. Zeiden dat ik op mezelf moest letten. Mijn andere vingers gleden los, maar hij kon nog net mijn polsen grijpen. Alsof ik een reddingsboei was in een wilde stormzee. "Ik hou van je," zeiden zijn lippen, maar zijn woorden werden overstemd door de wind. En toen kon hij me niet meer vasthouden. Zijn handen glipten los en de wind trok zijn lichaam mee omhoog. Terwijl ik daar stond. Ik moest kijken hoe zijn lichaam gebroken werd hoog in de lucht. Horen hoe hij schreeuwde. Bang. Doodsbang. Horen hoe ik gilde. Om hem. Alleen om hem. Voelen hoe mijn hart definitief brak toen hij in de tornado verdween. Voor altijd. En eeuwig. Zodra hij uit het zicht was nam de wind af tot het onschuldige briesje wat het was geweest. Het uitgerukte gras leek nooit uitgerukt te zijn geweest. Bloemen groeiden. Vogels floten. Alles leek normaal. Hetzelfde. Maar het was niets minder dan dat. Hij was weg. Ik was gebroken. Moedeloos liet ik mezelf in het gras vallen. Een schreeuw. Uit mijn mond. Om hulp. Troost. Maar de troost die ik zocht kwam van hem. En die zou ik nooit meer kunnen krijgen. Geluidloze tranen stroomden over mijn wangen. Het voelde alsof er net een kudde olifanten over mijn lichaam gewalsd was. Gebroken. Moedeloos. Alleen. Na voor mijn gevoel eeuwen zo te hebben gezeten vond ik ergens de kracht om op te staan. En ik liep. Of beter gezegd, ik sleepte mezelf vooruit. Naar iets waar het misschien ietsje beter zou zijn. Maar ik vond niets. De omgeving veranderde nauwelijks. Alleen weilanden. Soms wat bomen. Prachtige bloemen. Maar ik zag er de schoonheid niet meer van. Het gevoel van verdriet en verlies drukte te erg op me. Langzaam begon het te schemeren. De lucht kleurde rood en de zon zakte achter de horizon. Er stak een iets sterker windje op, maar dat voelde ik niet meer. Het leek of ik niets fysieks meer voelde. Alleen nog de pijn van het leven. Diep in de nacht kwam ik pas op het punt waar de schoonheid van het landschap op hield. Mijn voeten stonden aan de rand van een ravijn waarvan je de bodem door de duisternis niet kon zien. Hier hield het op. Er schoot een idee in mijn hoofd. Was de vervloeking bestemd tegen de dood? Zou het het voorkomen, of zou het eindigen bij het eind van het leven? Hield het hier op? Mijn hoofd schoot van links naar rechts en keek toen weer naar beneden in het ravijn. Was het het proberen waard? Alleen al het idee van het misschien terug zien van Daniël haalde me over. Ik zette mijn voeten nog dichter naar de rand. Als het niet lukte was dit mijn slechtste impulsieve actie ooit. Maar als het wel lukte.. Ik hield mijn adem in. En sprong. De tijd leek even in slow motion te gaan. Ik zette me af tegen de rand en viel. In de duisternis. Wind floot in mijn oren. Het leek of ik vloog. Maar uiteindelijk was het daar. De klap van de grond die me de adem benam. Maar het gevoel van het breken van al mijn botten had ik niet. Het benam me lettelijk de adem. Het was zwart voor mijn ogen, maar niet het zwart van de donkere hemel. Het zwart van de dood. De geur van de bloemen en bomen rook ik niet meer. Het gevoel van pijn en verdriet was uit me gevloeid. Voorzichtig en een beetje trillerig stond ik op. Ik voelde me onzeker. Hield de vervloeking hier wel op? Het antwoord waren twee armen die zich van achter om me heen sloegen en een stem die in mijn oor fluisterde. "Waar bleef je zo lang?"

Dit blog is geschreven door Lisa Nijmeijer, zij is de gastblogger  van deze week.  Wil je meer informatie over haar en haar schrijfwerk? Dan kun je een mailtje sturen naar Lisanijmeijer@kpnmail.nl

Voor alle andere verbeteringen, suggesties e.d. kun je mailen naar wangumatokeo@blogspot.com

1 opmerking:

  1. Wauw.
    Ik denk dat elk woord wat ik er aan kwijt maak te veel is.

    xx Rachel

    BeantwoordenVerwijderen