Pagina's

zaterdag 21 juli 2012

Struisvogelgedrag

Soms zit ik tot vrijdag avond te staren naar mijn scherm. 'Ik heb geen inspiratie.' mompel ik dan, net alsof dat een goed excuus zou zijn om niet te gaan schrijven.
Zo staarde ik van de week naar mijn schildersdoek. Ik moest en zou gaan schilderen. 'Ik heb geen inspiratie.' zei ik tegen mezelf. Maar ik moest en zou gaan schilderen. In felle kleuren kwamen er strepen op het doek te staan, steeds meer, steeds diverser, maar nog steeds had ik geen inspiratie. 'Het hoeft niets voor te stellen.' stelde ik mezelf gerust, maar het hielp niet. 'Het heeft geen betekenis.' zei een ander stemmetje in mijn hoofd en daarmee stelde ik mezelf tevreden. Het is precies het probleem, ik werk altijd vanuit een idee, een bepaald beeld. Zonder dat beeld lukt het niet.
Maar nu is het bijna af. Ik moet nog wat lijnen perfectioneren, maar de voorstelling is af. Ik kijk er naar. Het lijkt op mijn hoofd. Elke keer als je denkt iets te begrijpen, lijkt het te stoppen, toch net even anders te gaan, anders te zijn. Rommelig, chaotisch, maar wel gestructureerd voor wie de logica wil zien. 'Het betekend anders nog steeds niet.' 'Stil.' 'Ik heb gelijk, dat weet je.' 'Je hebt gelijk, ik kan het beter weer overschilderen.' maar het ligt er nog steeds, onaf. 'Je kunt het beter overschilderen.' ik knikte. Ik houd vaker hele gesprekken in mijn hoofd, ook met mensen die ik niet ken, ik stel me voor hoe ze zouden reageren, wat ze aan zouden trekken en nog meer van dat soort dingen. 'Laat maar.' zeg ik tegen mezelf. En het schilderij ligt er, nog steeds onaf.

Weet je wat het is met inspiratie? Zodra je er op gaat zitten wachten komt het niet. Enerzijds moet je jezelf er toe zetten om gewoon bezig te gaan om inspiratie te krijgen, anderzijds moet je jezelf niet forceren, want dan wil het ook niet echt. Maar wat is inspiratie. Is inspiratie niet gewoon de zin om iets te doen, als we het hebben over deze vorm van inspiratie? Of is inspiratie het opzoeken van beelden die je leuk vind, of juist niet? In dat geval ben ik er goed in, ik zoek continu 'leuke' plaatjes. En voor 'inspiratie' kies ik juist het moment uit zo'n plaatje. Ik wil de sfeer, dat ene hoekje, dat ene ding wat deze afbeelding voor mij speciaal maakt. Als ik zin en tijd heb, maak ik bladzijdes vol met sfeer, of schrijf ik mijn sfeerbeschrijvingen. Hé, heb ik niet al zo'n dergelijk blog gehad?

Mijn schilderij moet ik nog perfectioneren. Op zijn eigen manier is het nog best leuk, maar het stelt niets voor én het heeft geen betekenis, of beter, die heeft het wel, maar niet een die ik uitgesproken heb. En dat irriteert me. Als het dan geen betekenis heeft, laat het dan tenminste nog iets voorstellen. Nu is zijn surrealistische voorstelling slechts kleur op doek, met wat figuren die wat zouden zijn, oh ja, want geheel vormloos is het niet. Misschien moet ik het maar zo laten, onaf. In 3 opzichten. Geen voorstelling, geen betekenis én geen afwerking. Onaf, dat klinkt best aardig, maar is best aardig wel genoeg voor mij?

~
Voor enkele werkfoto's kun je naar mijn tumblr pagina gaan, daar staan wat foto's van het schilderij en het proces. Oh, en nog een hoop andere dingen die ik er bij zet, waarmee ik mijn blog niet wil onderspammen, dat werd de ondergang van Mimi Naona blogs. Al zeg ik het zelf.

zaterdag 14 juli 2012

When are we together again?

Het laatste wat ik me herinnerde is dat er ergens een deur open ging en dat er iemand in de deuropening stond. Daarna had ik geen energie en kracht meer over om dan ook maar enige beweging te maken, ademen was al moeilijk genoeg. Ik zakte steeds dieper weg naar droomachtige toestand, maar dan eentje die verder weg was. Als ik er aan toe zou geven zou ik er niet meer uitkomen, maar oh hij was zo aantrekkelijk.

De zoete geur van vanille stroomde mijn neus in, warme zomerse kleuren prikkelden mijn oogleden. Het leek alsof ze heel hard riepen 'Open je ogen, toe maar, er gebeurd je niets!' om vervolgens met zwaarden in mijn ogen te prikken als ik ook maar 1 seconden naar ze zou luisteren. 'Je hebt een doel.' dacht ik hard tegen mezelf, in de hoop dat het me zou helpen. Voor even scheen het dat ook te doen, maar daarna kwamen de aanvallen weer terug. En om het nog erger te maken, het geluid van een vrolijk kabbelend beekje sloop mijn oor in. Het klonk zilverachtig, fris, geamuseerd en speels. 'Toe maar, droom zacht.' fluisterde het beekje. Ik kneep mijn ogen stijf dicht. 'Heb je gezien hoe mooi het hier is?' ik sloeg mijn handen voor mijn ogen, in gedachten dan, want feitelijk gezien werkten mijn spieren niet, totdat het vergif uitgewerkt zou zijn.
Ik besloot mee te doen met de droom, mijn grenzen uit zou rekken, niet om mezelf te vermaken, of hen uit te testen, nee, dit was puur noodzakelijk. Ik moest wel, ik moest ooit ontwaken voor mijn geliefde, ik wilde geen Romeo & Julia einde, nu niet, nog niet.
Gekleed in wit linnen - waarom altijd wit? - balanceerde ik op het puntje van mijn rechtervoet, terwijl mijn andere been de lucht in zwiepte. Het moment daarop waren beide voeten van de grond los waarna mijn gewicht zich verplaatste naar mijn linker been, waarop ik landde. 'Kom, dans met ons.' riepen talloze stemmen en gewillig stemde ik toe. Het geluid van het beekje maakte plaats voor een opzwepende muziek die me steeds meer herinneringen van me afpakte en me steeds dieper de droom in hielp. 'HELP!' wilde ik roepen, maar zodra ik mijn mond open zou trekken zou ik verloren hebben en dus zweeg ik. De controle over mijn ledematen was ik kwijt. Mijn geest verzette zich nog eenmaal, het leidde slechts tot een verandering van plek. Ik was terug bij het meertje, nu totaal alleen. En de stilte deed nog veel meer pijn. Oude herinneringen kwamen me te boven en langzaam biggelden er steeds meer tranen over mijn gezicht. Mijn been kromde zich, liet mijn voet krommen en mij weer op het puntje van mijn tenen staan, de rest van mij hing er maar droevig bij.

zaterdag 7 juli 2012

The Curse - Gastblog

"Nee!" Mijn stem klonk schor, waarschijnlijk door het weinige gebruik ervan de laatste tijd. Mijn handen grepen in het niets om me heen, in een poging nog een deel van mijn zusje te vinden, te pakken, bij me te houden. Maar het was tevergeefs. Ze was weg. Voor altijd. Moedeloos zakte ik op mijn knieën neer, met mijn handen in mijn haar geklemd. Ik had haar beter moeten beschermen, na alle anderen die ze van me af hadden gepakt. Ik had het moeten weten. Begrijpen. Ik zou nooit rust hebben, en iedereen waar ik van hield ging eraan. Mijn hoofd tolde. Mijn oogleden voelden zwaar. Dit verlies voelde bijna nog zwaarder dan anderen. Nu had ik niemand meer. Behalve. "Wat doe jij nu hier?" Bang draaide ik me om en keek in de ogen van een jongen. Hij was even oud als ik, maar een stuk langer en hij leek veel ouder dan hij was, in tegenstelling tot mij, ik leek veel jonger. Hij had zwart haar, waarvan de puntjes zijn schouders net niet raakten. Zijn ogen waren lichtblauw. Heel lichtblauw. Altijd als ik erin keek leek ik betoverd. Zijn kleren waren ongekreukt en schoon, waarschijnlijk het tegenovergestelde van de mijne. Zijn glimlach moest ik altijd automatisch beantwoorden. Daniël. "Dat kan ik ook aan jou vragen." Mijn glimlach betrok. "Ga weg hier, nu." Ik stond op en duwde hem wat achteruit, wat haast onmogelijk was met mijn schaarse kracht. Hij lachte en pakte mijn schouders beet. "Ik ga alleen als jij ook gaat, het wordt al donker, moet je niet naar huis?" Hij wist het niet. Dat was iets wat ik me lange tijd voor had gehouden. Daniël mocht er niet van weten, hij zou alleen maar proberen te helpen, wat ik juist niet wilde wat hij deed. Zeker niet nu. Nu hij gegarandeerd de volgende was."Daniël, ga, alsjeblieft. Dan ga ik ook, ver weg, waar je me nooit meer ziet." Zijn lichte ogen keken me aan. Ze vroegen om uitleg, maar die kon ik niet geven. Hij hoorde de wanhoop in mijn stem. Wist dat ik geen grap maakte. "Alsjeblieft," zei ik nog schor en smekend. Hij was mijn beste vriend, en misschien wel degene die ik absoluut niet kwijt wilde raken. Degene die ik het liefst bij me wilde houden. Van wie ik hield. "Wat is er aan de hand?" In zijn stem klonk ernst, en bezorgdheid. Om mij. Hij gaf om mij. Hij wilde zich niet zo maar omdraaien en mij achterlaten, zelfs niet als hij het zou weten en dus wist dat hij daarmee zijn leven redde. "Er is niets." Natuurlijk geloofde hij dat niet, maar wat moest ik dan zeggen? De waarheid? "Als je niets zegt blijf ik alleen maar hier, terwijl je mij zo wanhopig weg probeert te krijgen." Hij trok een wenkbrauw op. Natuurlijk moest hij het weten. We hadden nooit iets voor elkaar verzwegen. Behalve dan.. "Het is dat.. je weet wel, dat we een paar weken geleden op vakantie gingen?" Ik kreeg een brok in mijn keel. Alleen al het denken aan die dag deed veel te veel pijn om verdraagbaar te zijn. "Er zijn toen.. dingen gebeurd. We maakten een boswandeling, en ik verdwaalde. Maar ik vond een soort klein gebouw, een tempel. Ik ging naar binnen. Het was groot, en leeg, op een klein gouden beeldje na. Ik liep erheen en keek ernaar en plotseling begonnen de ogen van het beeld licht te geven. De tempel schudde. Ik voelde iets, het was een vreemd gevoel vanuit mijn tenen tot in mijn hart. Toen was alles weer stil. Alles leek rustig. Maar het was niets minder dan rustig.

Ik was vervloekt." Mijn mond voelde droger dan hij ooit geweest was. Mijn hart bonsde, alsof ik weer in de tempel stond en alles om me heen bewoog. "Dus, een beeldje begon licht te geven, en toen was jij plotseling vervloekt?" Het klonk niet spottend, verre weg daarvan. Hij begreep het gewoon niet. Hij kon het ook niet begrijpen. Niet als hij niet daar was. Niet als hij niet de vervloeking door zijn lijf had voelen stromen. "Ja. En iedereen waar ik om geef krijgt een ongeluk. Zo'n vreselijk ongeluk dat je alleen in films ziet. Alsjeblieft, ik wil niet dat dat ook bij jou gebeurt." Ik wilde het niet. Het mocht niet. Hij moest gelukkig worden. Ik doodongelukkig. Hij moest verder gaan met zijn leven. Oud worden. Een goede baan krijgen. Een mooi huis. Een vrouw... "Ik ben niet bang." Hij had een schittering in zijn ogen die mijn humeur altijd beter maakte, maar vandaag leek het alsof die zijn kracht had verloren. "Maar ik wel." Mijn stem stokte. Ik was bang. Doodsbang. Maar Daniël spreidde zijn armen en zonder twijfel sprong ik erin. Dicht tegen hem aan, waar de geur van het bos mijn neus in kroop. Waar de druk van zijn armen om me heen me een veilig en liefdevol gevoel gaf. Ik moest me niet zo voelen. Niet nu. Ik moest aan zijn veiligheid denken. Maar de aandrang om hem de rug toe te keren en weg te rennen slonk met de seconde. Nu ik hier bij hem stond. Tegen hem aan. Met mijn oor op zijn borst waaronder ik zijn hart kon horen kloppen en zijn adem die ik door mijn haren heen tegen mijn hoofdhuid voelde strelen. Voorzichtig hief ik mijn hoofd op zodat ik in zijn lichte ogen kon kijken. "Ik hou van je." De woorden klonken zacht en hees uit mijn mond, maar ik was zeker dat hij me hoorde. De vriendelijke uitdrukking op zijn gezicht maakte plaats voor een verbaasde blik. "Hou je van me?" vroeg hij, bijna even hees als ik. Er klonk geroerdheid in zijn stem, dat mijn hart op deed springen. "Ja." Er verscheen een schittering in zijn ogen die ik nog nooit gezien had. Een schittering die tien maal sterker was dan anderen en direct effect had en vlinders door mijn buik pompte. Een schittering van geluk. "Ik hou ook van jou," zei hij zacht en het duurde nog geen seconde voor onze lippen aan elkaar waren geplakt. Alle gevoelens die ik sinds ik hem op mijn vijfde ontmoette zaten erin. Mijn hart sloeg op hol en leek salto's achter elkaar te maken in mijn buik. Er stroomde een gelukzalig gevoel door me heen wat ik nooit eerder gevoeld had maar mijn lichaam deed tintelen. Liefde. Mijn handen lagen op zijn borst. Zijn armen vormden een lichte druk om mijn heupen. Een zacht briesje liet onze haren om ons heen wapperen. Alles leek perfect. Hier, in dit verlaten weiland, met de jongen waarvan ik hield. Al zo lang als ik me kon herinneren. Ik wenste dat dit moment nooit op zou houden. Dat ik voor altijd met hem kon zijn. Maar dat was mijn lot niet. Het zachte briesje nam een sterkere vorm van zich aan en ik voelde Daniëls greep om mijn heupen wat verzwakken. Vragend keek ik op. Hij staarde naar iets achter me, iets wat zijn pupillen deed groeien naar een bange blik. Een doodsbange blik. Nog steeds in zijn armen draaide ik me om en mijn hart sloeg een keer over van angst. Voor me rees de grootste tornado op die ik ooit had gezien. Sterke wind sloeg ons om de oren. Ik draaide me om en zag hoe Daniël naar me keek. Bang. Doodsbang. Maar nog vol liefde. Er woei een scherpe wind die zijn benen de lucht in tilde, terwijl ik vastgelijmd leek aan de grond. Onze handen waren het enige wat ons nog aan elkaar verbond. Maar lang zou het niet meer stand houden. Ik kon hem niet bij me houden. Hoe graag ik ook wilde. Mijn pinken schoten los. Nee, het had veel te kort geduurd. Het kon zo veel meer worden. Mijn ringvinger. De blik in zijn ogen wilde mij geen seconde loslaten. Ze keken bezorgd. Zeiden dat ik op mezelf moest letten. Mijn andere vingers gleden los, maar hij kon nog net mijn polsen grijpen. Alsof ik een reddingsboei was in een wilde stormzee. "Ik hou van je," zeiden zijn lippen, maar zijn woorden werden overstemd door de wind. En toen kon hij me niet meer vasthouden. Zijn handen glipten los en de wind trok zijn lichaam mee omhoog. Terwijl ik daar stond. Ik moest kijken hoe zijn lichaam gebroken werd hoog in de lucht. Horen hoe hij schreeuwde. Bang. Doodsbang. Horen hoe ik gilde. Om hem. Alleen om hem. Voelen hoe mijn hart definitief brak toen hij in de tornado verdween. Voor altijd. En eeuwig. Zodra hij uit het zicht was nam de wind af tot het onschuldige briesje wat het was geweest. Het uitgerukte gras leek nooit uitgerukt te zijn geweest. Bloemen groeiden. Vogels floten. Alles leek normaal. Hetzelfde. Maar het was niets minder dan dat. Hij was weg. Ik was gebroken. Moedeloos liet ik mezelf in het gras vallen. Een schreeuw. Uit mijn mond. Om hulp. Troost. Maar de troost die ik zocht kwam van hem. En die zou ik nooit meer kunnen krijgen. Geluidloze tranen stroomden over mijn wangen. Het voelde alsof er net een kudde olifanten over mijn lichaam gewalsd was. Gebroken. Moedeloos. Alleen. Na voor mijn gevoel eeuwen zo te hebben gezeten vond ik ergens de kracht om op te staan. En ik liep. Of beter gezegd, ik sleepte mezelf vooruit. Naar iets waar het misschien ietsje beter zou zijn. Maar ik vond niets. De omgeving veranderde nauwelijks. Alleen weilanden. Soms wat bomen. Prachtige bloemen. Maar ik zag er de schoonheid niet meer van. Het gevoel van verdriet en verlies drukte te erg op me. Langzaam begon het te schemeren. De lucht kleurde rood en de zon zakte achter de horizon. Er stak een iets sterker windje op, maar dat voelde ik niet meer. Het leek of ik niets fysieks meer voelde. Alleen nog de pijn van het leven. Diep in de nacht kwam ik pas op het punt waar de schoonheid van het landschap op hield. Mijn voeten stonden aan de rand van een ravijn waarvan je de bodem door de duisternis niet kon zien. Hier hield het op. Er schoot een idee in mijn hoofd. Was de vervloeking bestemd tegen de dood? Zou het het voorkomen, of zou het eindigen bij het eind van het leven? Hield het hier op? Mijn hoofd schoot van links naar rechts en keek toen weer naar beneden in het ravijn. Was het het proberen waard? Alleen al het idee van het misschien terug zien van Daniël haalde me over. Ik zette mijn voeten nog dichter naar de rand. Als het niet lukte was dit mijn slechtste impulsieve actie ooit. Maar als het wel lukte.. Ik hield mijn adem in. En sprong. De tijd leek even in slow motion te gaan. Ik zette me af tegen de rand en viel. In de duisternis. Wind floot in mijn oren. Het leek of ik vloog. Maar uiteindelijk was het daar. De klap van de grond die me de adem benam. Maar het gevoel van het breken van al mijn botten had ik niet. Het benam me lettelijk de adem. Het was zwart voor mijn ogen, maar niet het zwart van de donkere hemel. Het zwart van de dood. De geur van de bloemen en bomen rook ik niet meer. Het gevoel van pijn en verdriet was uit me gevloeid. Voorzichtig en een beetje trillerig stond ik op. Ik voelde me onzeker. Hield de vervloeking hier wel op? Het antwoord waren twee armen die zich van achter om me heen sloegen en een stem die in mijn oor fluisterde. "Waar bleef je zo lang?"

Dit blog is geschreven door Lisa Nijmeijer, zij is de gastblogger  van deze week.  Wil je meer informatie over haar en haar schrijfwerk? Dan kun je een mailtje sturen naar Lisanijmeijer@kpnmail.nl

Voor alle andere verbeteringen, suggesties e.d. kun je mailen naar wangumatokeo@blogspot.com

zondag 1 juli 2012

La vie en rose?

'Voila.' Rechts van mij werd een bordje op tafel neer gezet met mijn croque-monsieur en mijn café-au-lait. 'Merci.' knikte ik bemoedigend naar het serveerstertje. Erg lang moest ze hier nog niet werken.
Vroeger kwam ik hier vroeg in de ochtend, de zaak nét open, gehaast. De sfeer van het cafeetje trok me toen al aan. Ik piepte er langs, at mijn croissant en goot de koffie over in mijn thermoskan, waarna ik gehaast naar mijn werk leek te vluchten.
Nu was dat wel anders. Zo rond half 10 kwam ik hier aan, zette mijn zwarte laktas op het krakende rieten klapstoeltje naast me en viste enige  beauty-artikelen uit de vakken en stalde ze voor me uit. Terwijl mijn bestelling werd opgenomen besteedde ik enige aandacht aan mijn uiterlijk waarna ik een voor een mijn spullen weer opruimde. Ik at rustig mijn hier bestelde ontbijtje op, dronk mijn koffie en keek rond. Er waren veel vaste klanten zoals ik, sommigen kwamen op enkele dagen, anderen alle dagen en sommigen alleen wanneer ze iemand in gezelschap hadden.
Klokslag 10 kwam er een studente aangebalanceerd, op haar hoge hakken over de klinkers van het straatje. Het was het moment waarop ik óf weg ging, óf nog een drankje bestelde.
'Geen muziek vandaag?' verbaast keek ze om. Ik wees met mijn vinger langs mijn oor omhoog. 'Oh, mijn koptelefoon, nee die is stuk.' ze kwam vanaf de eerste zomerdag hier nu elke dag en praatte, na een kwartier gezwegen te hebben, vol uit. Zo'n meisje met idealen, hakken en een smartphone, zo'n meisje.

Ze pakte haar roze zonnebril uit haar tas en plakte er twee beschreven memoblaadjes aan. Ik keek haar even vragend aan maar ze zei niets. 'Hiermee verander ik de wereld.' mompelde ze, terwijl ze met haar ogen naar een van de vaste gasten wees. Ik volgde haar blik en keer haar weer vragend aan, maar ze negeerde dat.

Met een piepend geluid sloot ik de deur weer achter me. Vandaag was ze niet gekomen, vandaag had er een bril voor mij gelegen. Voor mij slechts een fotootje van het meisje, maar dan een paar jaar terug. "Des yeux qui font baisser les miens, Un rire qui se perd sur sa bouche"  Ik had zelf op het idee moeten komen. Opbeurende teksten. Daarom kwam ze elke dag. Ze zag de mensen zoals ze waren, luisterde naar hun gesprekken. Haar was het niet te doen geweest om de aandacht. Het was haar realiteitszin die ze overbracht op anderen. Een roze bril om niet meer op te doen. Eén tekst. Voor iedereen iets anders.
Maar toch. Eén tekst. Ik wild dat ik dat kon. Ik lag in bed, gestopt de dagen te tellen. Het levensritme zat er nog in, maar elke avond lag ik hier weer. De scènes speelden door mijn hoofd, hele conversaties met mensen die er toe deden, die naar me luisterden alsof ik briljante ideeën had, mijn anonimiteit respecteerden.

Ik wachtte op de wekker die af zou gaan, nog eenmaal in mijn wereldje kruip ik, om er ruw weer uit getrokken te worden. Vandaag was ik weer mezelf, anoniem omdat ik mijn mond niet open zou trekken. Misschien daarom die tekst. Hij zou het niet weten als ik mijn mond niet open zou trekken, maar het ging niet om hem. Het ging om alles wat ik wilde bereiken.